Kerst is niet meer wat het was

december 24, 2007

Geen It’s A Wonderful Life vanavond. Geen James Stewart die een lasso om de maan gooit om zijn geliefde te plezieren. Geen The Bishop’s Wife, met Cary Grant in de rol van piekfijn uitgedoste engel, inclusief keurige zijstreep. Geen The Wizard of Oz, met die tragische Judy Garland. Toen ze op de Yellow Brick Road danste was ze tenminste nog gelukkig en vrolijk. Geen Miracle on 34th Street, geen White Christmas, geen A Christmas Carol

Kerst is niet meer wat het geweest is.


Bloemetjesbehang

december 9, 2007

Mé en pé heetten ze. Net een foto van hun terug gevonden. Beetje wazig en verkleurd, zoals dat hoort bij beelden van de doden. Hij kijkt ernstig in de lens. Met trieste ogen. Zij glimlacht, fijntjes. De blik onverschrokken, zoals ze zelf was.

Mé en pé woonden om de hoek. Altijd waren ze er. Tot hun tijd ineens was opgebruikt en hun adem, hun zweet, hun lijfgeur verdampte tot een herinnering te ijl om grijpbaar te blijven. Maar op de foto zijn ze er nog, voor eeuwig samen. Hij met zijn trieste, zij met haar onverschrokken blik.

Mé hield van behangen. Er stond altijd wel een kamer in de steigers, tot ergenis van Pé die zo op zijn rust was gesteld.

Bloemetjepatronen, hield ze daar niet het meest van? Ik zie wild slingerende rode rozen en oranje tulpen. Gouden orchideeën en roze margrieten.

Maar de muurbloem in hun kleine wereldje was hij. Altijd stil, altijd toegeeflijk. Meer dan een kelige ‘hm’ kreeg je doorgaans niet van hem te horen. Als je hem een jenevertje aanbood, humde hij wat vrolijker. En dan was hij weer weg, naar huis of ergens anders. De wandelende hummer.

Intussen beoefent hij al jaren de eeuwige rust. Zonder driest behangende furies in zijn buurt.

En zij, zij zeult nog steeds met rollen, borstel en lijm. Want ook daar, aan de andere kant, moeten muren nodig opgefleurd worden.

GeHa


Hiphop is geen muziek

december 6, 2007

A. schiet veel te snel op. Zijn jongenslijf kan het tempo nauwelijks bijhouden. Vel over been is hij nog, een slungelige Biaffratiener met een ongewone voorkeur voor The Stones en The Kinks. Zijn vrienden vinden het maar niets. Kinky die muzikale voorkeuren van hem. Behalve die ene, met wie hij een eigen groepje heeft opgericht: The Generation, naar dat nummer van The Who. “De wie?”, vragen de vrienden. “Precies”, zegt hij en lacht. Er schuilt een aangenaam soort superioriteit in apart-zijn. Gelukkig wordt individualiteit gewaardeerd in de peer group. Zelfs overwoekerd met een fijn laagje acné blijft hij een well respected man.

Pa vindt het allang oké. Pa is apetrots. “Er zijn slechts twee zekerheden in het leven”, declameert hij al jaren. “Eén: we gaan allemaal dood. Twee: hiphop is geen muziek.” Dat de kroonprins voorlopig enkel de laatste stelling tot zich heeft genomen, stoort hem niet. Elke veertienjarige waant zich de facto onsterfelijk, net als de rock-‘n-roll. Wie kan daar wat op tegen hebben?

Maar vel over been is hij, gevolg van die absurde natuurwet die zegt dat de puberteit zich vooral in de verticaliteit moeten uiten. K., dat is de koningin-moeder in onze kleine bijenkorf, buigt echter voor geen enkele wet. Zorgelijk heeft ze een dieet voor hem bij elkaar gegoogled: noten, roomboter, melkbroodjes en volle yoghurt. Gezonde vettigheden om A.’s lijn weer wat in de breedte uit te smeren. Daarnaast is ze ook aan het bakken geslagen, als extra boost voor zijn sputterende BMI.

”Mmm, appelcake?”, pols ik, terwijl ze een heerlijk geurende, goudgele stronk uit de oven vist.
”Daar-blijf-jij-met-je-fikken-van-af-cake”, snauwt ze.

”Kom nou,” smeek ik, “één stukje kan toch geen kwaad?

”O nee? Hoeveel kilo’s moet je nog kwijt?”

”Euh…”

”Precies, drink jij nog maar een glaasje water.”

”Jij legt hier duidelijk gewicht in de schaal, pa”, zegt A. met zijn bakkes vol suikerzoet gebak.

Hij komt niet meer bij, de afvallige.


Lach, vampier

december 4, 2007

Hij is haar vrolijke vampier. Elke avond, na zonsondergang, verschijnselt hij waanzinnig gillend in haar kamertje. Met het donsdeken tot net onder de neus, ligt ze hem op te wachten.

“Neen, ik wil niet”, zegt ze, en zelfs het licht van de witte maan deinst terug voor de zilveren kracht van haar blik. Maar ze bedoelt ja. Altijd bedoelt ze ja.

Hij duikt naar beneden, de slagtanden ontbloot. Graaft zich in met zijn vampierensnuit, tot aan dat zachte, warme plekje onderaan haar hals. Daar laaft hij zich aan haar geur en haar lach.

“Stop”, beveelt ze, maar ze bedoelt ga door. Altijd bedoelt ze dat. Echo’s van haar geschater druipen in dikke, taaie druppels van de witte maan. Haar hielen, hard en eeltig na al die uren balletklas, slaan een wilde roffel op de matras.

“Hou op!”, eist ze. Maar hij is nog lang niet voldaan. Als een drenkeling klampt hij zich vast aan die geur en die lach. Tot hij haar lenige lijf niet meer in bedwang kan houden en ze zich zegevierend weet los te rukken. “Ha!”, triomfeert ze, en zelfs de witte maan wordt even verblind door het zilver in haar blik.

Achteraf slaat ze haar armen om zijn nek en vraagt hem een verhaaltje te vertellen. “Daar is het nu te laat voor”, zegt hij. “Je moest eigenlijk allang liggen snurken.”

“Had jij me maar niet opnieuw klaarwakker moeten maken.”

“Wij lachvampieren kunnen niet overleven zonder onze dagelijkse portie vrolijkheid”, zegt hij. “Daar is niets aan te doen.”

“Morgen niet”, roept ze hem na als hij de kamer uitloopt. “Morgen wil ik het echt niet. “

Maar ze bedoelt ja, weet hij. Altijd bedoelt ze ja.

GeHa